Strafrecht overig

Medeplegen flessentrekkerij, meermalen gepleegd (art. 326a Sr) door via plof-bv’s op grote schaal goederen te…

Zaakgegevens

Op 21 december 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum publicatie
16 december 2021
Zaaknummer
19/01925
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1913
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen flessentrekkerij, meermalen gepleegd (art. 326a Sr) door via plof-bv’s op grote schaal goederen te bestellen zonder deze te betalen.

1. Afwijzing herhaald getuigenverzoek.

2. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over betrouwbaarheid van verklaringen en herkenningen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01852, 19/01853, 19/01897, 19/01903, 19/01971 en 19/01992.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 5 april 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:1186
  2. Conclusie A-G · 9 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:1203
  3. Hoge Raad · 21 december 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1913

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01925

Datum 21 december 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019, nummer 23-004442-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en een week, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021.