Strafrecht overig

Kraken van een gebouw (art. 138a Sr). Middelen over 1. Begrip ‘right to home’ a.b.i. art. 8 EVRM en 2…

Zaakgegevens

Op 16 februari 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 februari 2021
Datum publicatie
9 februari 2021
Zaaknummer
19/01836
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:204
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Kraken van een gebouw (art. 138a Sr). Middelen over 1. Begrip ‘right to home’ a.b.i. art. 8 EVRM en 2. verwerping verweer dat sprake is geweest van strafrechtelijke ontruiming a.b.i. art. 551a Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01813 en 12 andere zaken, waarin de conclusie nog volgt.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:GHDHA:2019:2892
  2. Conclusie A-G · 15 december 2020

    ECLI:NL:PHR:2020:1256
  3. Hoge Raad · 16 februari 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:204

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01836

Datum 16 februari 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2019, nummer 22-001933-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2021.