Strafrecht overig

Poging tot zware mishandeling, art. 302.1 Sr. 1. Bewijsklacht t.a.v. voorwaardelijk opzet van verdachte op…

Hoge Raad, 18 oktober 2022

Zaakgegevens

Op 18 oktober 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 oktober 2022
Datum publicatie
14 oktober 2022
Zaaknummer
20/04429
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1475
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot zware mishandeling, art. 302.1 Sr. 1. Bewijsklacht t.a.v. voorwaardelijk opzet van verdachte op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer. 2. Afwijking uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. verklaring getuige. 3. Verwerping beroep op noodweer(exces).

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 september 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:959
  2. Hoge Raad · 18 oktober 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:1475

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/04429

Datum 18 oktober 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2020, nummer 23-000509-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2022.