Strafrecht overig

Verlaten plaats ongeval, art. 7.1.a (oud) WVW 1994. Heeft verdachte op plaats ongeval behoorlijk gelegenheid…

Hoge Raad, 5 april 2022

Zaakgegevens

Op 5 april 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2022
Datum publicatie
4 april 2022
Zaaknummer
20/02617
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:508
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlaten plaats ongeval, art. 7.1.a (oud) WVW 1994. Heeft verdachte op plaats ongeval behoorlijk gelegenheid geboden tot vaststelling van zijn identiteit a.b.i. art. 7.2 (oud) WVW 1994? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 februari 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:39
  2. Hoge Raad · 5 april 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2022:508

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02617

Datum 5 april 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 augustus 2020, nummer 21-001790-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2022.