Strafrecht overig
Witwassen, meermalen gepleegd, art. 420bis.1.b Sr. Strafoplegging (gevangenisstraf van 20 weken, waarvan 16…
Hoge Raad, 21 juni 2022
ECLI:NL:HR:2022:841 · Hoge Raad · 21 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2022-841
Zaakgegevens
Op 21 juni 2022 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 juni 2022
- Datum publicatie
- 3 juni 2022
- Zaaknummer
- 20/02570
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2022:841
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Witwassen, meermalen gepleegd, art. 420bis.1.b Sr. Strafoplegging (gevangenisstraf van 20 weken, waarvan 16 weken voorwaardelijk met proeftijd van 3 jaren en strafbepaling voor andere feiten op taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring, teruggave aan verdachte en bewaring t.b.v. rechthebbende van inbeslaggenomen voorwerpen). 1.Miskenning van eerdere terugwijzingsopdracht HR. 2. Verzuim een legaal verkregen bedrag in mindering te brengen op verbeurdverklaard geldbedrag. 3. Verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen. 4. Duur van de aan voorwaardelijk gedeelte van gevangenisstraf verbonden proeftijd.
Ad 1., 2., 3. en 4. HR: Op redenen vermeld in CAG slagen klachten. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door (in aansluiting bij ‘s hofs kennelijke bedoeling) gevangenisstraf van 20 weken, waarvan 16 weken voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren, en taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, op te leggen en teruggave te gelasten van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen. Vervolg op HR:2018:507.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 17 augustus 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:2290Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 mei 2022
ECLI:NL:PHR:2022:423Hoge Raad · 21 juni 2022deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2022:841
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02570
Datum 21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2020, nummer 23-002217-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel, de eerste deelklacht van het derde cassatiemiddel en het vijfde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft deze klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel, de tweede deelklacht van het derde cassatiemiddel, het vierde en het zesde cassatiemiddel
De klachten hebben betrekking op de strafoplegging. In het bijzonder klagen de cassatiemiddelen dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat het de straf voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde kon bepalen, dat het hof de verbeurdverklaring van een aantal in de schriftuur genoemde voorwerpen ontoereikend heeft gemotiveerd en dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld wat betreft de naleving van de algemene voorwaarden.
De klachten slagen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.1 en 4.2, 6.6, 7.1 en 7.2 en 9.2-9.4. De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de zaak zelf afdoen en, in aansluiting bij de kennelijke bedoeling van het hof, de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts zal de Hoge Raad de teruggave gelasten van de hierna te noemen voorwerpen.
4 Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de op te leggen taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van de voorwerpen met de nummers 15, 16, 44, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144 en wat betreft de ‘strafbepaling’ ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde;
- veroordeelt de verdachte ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 april 2016 onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het bij de uitspraak van het hof van 17 augustus 2020 onder 1 bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 uren, subsidiair 57 dagen hechtenis belopen;
- vermindert het onder nummer 44 verbeurdverklaarde geldbedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 6.893,19 bedraagt;
- gelast de teruggave aan de verdachte van het onder nummer 44 inbeslaggenomen geldbedrag van € 13.451,81;
- gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 15, 16, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.