Strafrecht overig

Medeplegen mishandeling door na het verlaten van shoarmazaak een ander, die achter het stuur van zijn auto…

Hoge Raad, 3 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 3 oktober 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 oktober 2023
Datum publicatie
19 september 2023
Zaaknummer
21/02282
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1269
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen mishandeling door na het verlaten van shoarmazaak een ander, die achter het stuur van zijn auto zit, meermalen tegen zijn hoofd te slaan, art. 300.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewijsvoering, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: V.zv. aangevoerde als uos dient te worden aangemerkt, ligt motivering van verwerping van verweer in voldoende mate besloten in de door hof gebruikte bewijsmiddelen. Hof was niet tot nadere motivering gehouden.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 juli 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:625
  2. Hoge Raad · 3 oktober 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1269

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02282

Datum 3 oktober 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 mei 2021, nummer 22-004494-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de bewijsvoering.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 8.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2023.