Strafrecht overig

Invoer van cocaïne door in 2015 in Den Helder als schipper van visserskotter 703 kilogram cocaïne vanaf zee…

Zaakgegevens

Op 29 augustus 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 augustus 2023
Datum publicatie
28 september 2023
Zaaknummer
22/03951
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:1342
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Invoer van cocaïne door in 2015 in Den Helder als schipper van visserskotter 703 kilogram cocaïne vanaf zee de haven binnen te brengen, art. 2.A Opiumwet.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 20 oktober 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:2090
  2. Hoge Raad · 29 augustus 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:1342

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03951

Datum 29 augustus 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 oktober 2022, nummer 22-005427-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2023.