Strafrecht overig

Medeplegen uitvoer hennep (art. 3.A Opiumwet). 1. Bewijsklacht. Kan het niet anders zijn dan dat verdachte de…

Hoge Raad, 14 februari 2023

Zaakgegevens

Op 14 februari 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 februari 2023
Datum publicatie
10 februari 2023
Zaaknummer
20/04075
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:221
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen uitvoer hennep (art. 3.A Opiumwet). 1. Bewijsklacht. Kan het niet anders zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die in tapgesprekken A werd genoemd? 2. Bewijsklacht medeplegen.

Ad 1. HR: Middel leidt niet tot cassatie om redenen vermeld in CAG. CAG: Opgenomen tapgesprek waarnaar hof verwijst maakt geen onderdeel uit van bewijsmiddelen. Deze omissie hoeft niet tot cassatie te leiden. Hof heeft zijn oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte A werd genoemd, immers niet alleen gebaseerd op verwijzing naar “opgenomen tapgesprek” maar vooral ook op verklaringen van medeverdachte en herkenning van stem van verdachte door tolk. Deze b.m. dragen zelfstandig en genoegzaam ‘s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte betreffende A is geweest. Bewezenverklaarde is derhalve in dit opzicht naar eis der wet voldoende met redenen omkleed.

Ad 2. HR: Middel leidt niet tot cassatie om redenen vermeld in CAG. CAG: O.g.v. ’s hofs vaststellingen in zijn bewijsoverwegingen heeft hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat sprake was van vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om hennep buiten Nederlands grondgebied te brengen en dat verdachte bij gezamenlijke uitvoering daarvan actieve en wezenlijke rol vervulde. In het licht van dit gezamenlijke plan en deze gezamenlijke uitvoering geeft ‘s hofs oordeel dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping. Samenhang met 20/04009  en 20/04067.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 december 2020

    ECLI:NL:GHSHE:2020:3794
  2. Conclusie A-G · 20 december 2022

    ECLI:NL:PHR:2022:1185
  3. Hoge Raad · 14 februari 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:221

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/04075

Datum 14 februari 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2020, nummer 20-003041-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte01]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum01] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A. Kaarls, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat de verdachte de persoon is geweest die in tapgesprekken ‘ [bijnaam] ’ werd genoemd.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 tot en met 19.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 69 dagen.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 66 dagen beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023 .