Strafrecht overig
Medeplegen vervoeren van cocaïne in rugzak in auto, art. 2.B Opiumwet. Vrijspraak eerste aanleg…
ECLI:NL:HR:2023:226 · Hoge Raad · 14 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2023-226
Zaakgegevens
Op 14 februari 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 februari 2023
- Datum publicatie
- 10 februari 2023
- Zaaknummer
- 21/01873
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:226
Samenvatting
Medeplegen vervoeren van cocaïne in rugzak in auto, art. 2.B Opiumwet. Vrijspraak eerste aanleg. Bewijsklacht. Heeft hof in strijd met art. 359.2 Sv niet in het bijzonder redenen opgegeven waarom het is afgeweken van door verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die strekken tot vrijspraak? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Klacht dat hof ‘op geen enkele wijze gerespondeerd’ heeft op de namens verdachte naar voren gebrachte standpunten, mist feitelijke grondslag. Standpunt dat geen sprake zou zijn van vervoeren omdat rugzak toebehoorde aan medeverdachte en deze zelfstandig met rugzak achterin is gestapt, is niet uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zelfstandige reactie behoefde. Standpunt dat cocaïne zich niet in ‘machtssfeer’ van verdachte bevond, is door raadsman naar voren gebracht i.v.m. alternatief tlgd. ‘aanwezig hebben’ van cocaïne, terwijl hof heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk vervoeren van cocaïne heeft medegepleegd. Door vervoeren bewezen te verklaren heeft hof niet in strijd met dit standpunt beslist. V.zv. hetgeen namens verdachte is aangevoerd een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert, heeft hof daarop toereikend gerespondeerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 21 april 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:728Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 december 2022
ECLI:NL:PHR:2022:1207Hoge Raad · 14 februari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:226
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01873
Datum 14 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 april 2021, nummer 22-002240-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die strekken tot vrijspraak, althans dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 14.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023 .