Strafrecht overig
Vervoeren van heroïne (art. 2.B Opiumwet), voorhanden hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en (medeplegen)…
Hoge Raad, 3 september 2024
ECLI:NL:HR:2024:1115 · Hoge Raad · 3 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-1115
Zaakgegevens
Op 3 september 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 september 2024
- Datum publicatie
- 2 september 2024
- Zaaknummer
- 23/03702
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1115
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervoeren van heroïne (art. 2.B Opiumwet), voorhanden hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en (medeplegen) eenvoudig witwassen (art. 420bis.1 Sr) en witwassen (art. 420bis Sr). Onttrekking aan het verkeer van kogelwerend vest, art. 36c.1 Sr. Hof heeft inbeslaggenomen kogelwerend vest aan het verkeer onttrokken o.g.v. art. 36c.1 Sr en heeft in dit verband geoordeeld dat dit voorwerp geheel of grotendeels d.m.v. of uit baten van “het onder bewezenverklaarde feit” is verkregen. Zonder nadere motivering valt echter niet in te zien hoe inbeslaggenomen kogelwerend vest geheel of gedeeltelijk d.m.v. of uit baten van een van bewezenverklaarde feiten is verkregen.
Volgt partiële vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer (zonder terugwijzing).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 mei 2024
ECLI:NL:PHR:2024:479Hoge Raad · 3 september 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1115
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03702
Datum 3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023, nummer 21-004251-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen kogelwerende vest, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat een inbeslaggenomen kogelwerend vest aan het verkeer onttrokken wordt verklaard.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“feit 1 op 29 december 2021
- te Amsterdam heeft vervoerd ongeveer 9,19 kilogram heroïne, en;
- in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,48 kilogram cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2 op 29 december 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 18.000 Euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
en
op 29 december 2021 te [plaats] , een geldbedrag van ongeveer 12.500 Euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf:
en
op 29 december 2021 te Nederland, een horloge (merk Rolex, zilverkleurig), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd met uitzondering van de strafoplegging. De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“De beslissingen ten aanzien van het beslag zal het hof overeenkomstig de beslissing van de rechtbank nemen met dien verstande dat het hof ten aanzien van de beslissing tot verbeurdverklaring aanvullend overweegt dat uit het onderzoek is gebleken dat de voorwerpen aan de verdachte toe behoren en het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 2 bewezen verklaarde is begaan.
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
(...)
- 1 STK Kogelwerend vest (Omschrijving: PL1300-2021267261-G6136444, zwart).”
Over de onttrekking aan het verkeer heeft de rechtbank overwogen:
“Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
(...)
- 1 STK Kogelwerend vest (Omschrijving: PL1300-2021267261-G6136444, Zwart);
onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Deze voorwerpen zijn geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder bewezen verklaarde feit verkregen.”
Artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1° die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
3° met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4° met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5° die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
Het hof heeft het inbeslaggenomen kogelwerend vest aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36c, aanhef en onder 1°, Sr en heeft in dit verband geoordeeld dat dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van “het onder bewezenverklaarde feit” is verkregen. Zonder nadere motivering valt echter niet in te zien hoe het inbeslaggenomen kogelwerend vest geheel of gedeeltelijk door middel van of uit de baten van een van de bewezenverklaarde feiten is verkregen.
Het cassatiemiddel slaagt.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen kogelwerend vest;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.