Strafrecht overig
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Denaturering van een voor…
Hoge Raad, 10 september 2024
ECLI:NL:HR:2024:1152 · Hoge Raad · 10 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-1152
Zaakgegevens
Op 10 september 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 september 2024
- Datum publicatie
- 9 september 2024
- Zaaknummer
- 22/01374
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1152
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Denaturering van een voor bewijs gebruikte mededeling van verbalisant over zijn herkenning van verdachte. Kon hof oordelen dat in bewijsvoering genoemde “NN4” de verdachte is of heeft hof aan mededeling van verbalisant in p-v van politie dat hij verdachte o.b.v. “screensave” heeft herkend, andere betekenis toegekend door in bewijsmiddel op te nemen dat verbalisant de verdachte op “foto” heeft herkend? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Door mededeling van verbalisant in onderliggend p-v (“Ik herken verdachte op onderstaande screensave”) in bewijsmiddel weer te geven als “ik herken verdachte op de foto”, heeft hof aan dit p-v niet wezenlijk andere betekenis of strekking gegeven dan verbalisant voor ogen heeft gestaan. Bovendien geen belang, nu (ook als mededeling van verbalisant wordt geschrapt uit bewijsvoering) hof gelet op overige b.m. tot oordeel heeft kunnen komen dat verdachte “NN4” betreft.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 4 april 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2267Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 mei 2024
ECLI:NL:PHR:2024:493Hoge Raad · 10 september 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1152
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01374
Datum 10 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 april 2022, nummer 23-000585-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat (de in de bewijsvoering genoemde) “NN4” de verdachte is. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de in bewijsmiddel 6 weergegeven mededeling van een verbalisant over zijn herkenning van de verdachte heeft gedenatureerd.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 13.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2024.