Strafrecht overig
Zedenzaak. Seksueel misbruik van 12-13 jarige jongen door 35-36 jarige eigenaar van hoveniersbedrijf waar…
Hoge Raad, 30 januari 2024
ECLI:NL:HR:2024:120 · Hoge Raad · 30 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-120
Zaakgegevens
Op 30 januari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 januari 2024
- Datum publicatie
- 26 januari 2024
- Zaaknummer
- 22/04384
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:120
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zedenzaak. Seksueel misbruik van 12-13 jarige jongen door 35-36 jarige eigenaar van hoveniersbedrijf waar jongen werkzaamheden verricht, art. 247 jo. 248.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over onbetrouwbaarheid van verklaringen van aangever, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in forensisch bewijs en verklaringen van verdachte?
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft afwijking van dit onderdeel van (tot vrijspraak strekkend) uos toereikend en begrijpelijk gemotiveerd. Hof heeft immers gemotiveerd uiteengezet waarom het (anders dan verdediging) de verklaringen van aangever betrouwbaar acht. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat verklaringen van aangever in voldoende mate gedetailleerd en op hooflijnen consistent zijn. Voorts heeft hof overwogen dat aan betrouwbaarheid van verklaringen niet afdoet dat er in verklaringen van aangever op ondergeschikte punten mogelijk tegenstrijdigheden zijn aan te wijzen. Tot slot heeft hof van belang geacht dat verklaringen van aangever grotendeels ondersteund worden door forensisch bewijs en door onderdelen van verklaringen van verdachte zelf. Hof heeft hiermee op begrijpelijke wijze tot uitdrukking gebracht waarom het in hetgeen door raadsvrouw is aangevoerd geen reden ziet om aan betrouwbaarheid van verklaring van aangever te twijfelen.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Forensische bevindingen bevestigen dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden op locaties die door aangever zijn aangewezen. Verdachte heeft aangever ondersteund tijdens schieten met een bij verdachte later aangetroffen buks. Verdachte heeft geregeld dat aangever contact met hem kon voortzetten met telefoon van zoon van verdachte nadat ouders van aangever hem hadden gezegd geen contact meer te hebben. Hof heeft gemotiveerd uitgelegd waarom het van oordeel is dat sprake is van voldoende steunbewijs. Verklaringen van aangever worden ondersteund door verschillende onderdelen uit verklaringen van verdachte. Gelet hierop getuigt ‘s hofs oordeel dat verklaring van aangever in voldoende mate wordt ondersteund door forensisch bewijs en onderdelen van verklaringen van verdachte, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. Derhalve is van schending van art. 342.2 Sv geen sprake en is bewezenverklaring in zoverre toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:9812Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 december 2023
ECLI:NL:PHR:2023:1100Hoge Raad · 30 januari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:120
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04384
Datum 30 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022, nummer 21-005106-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met de tweede volzin van het tweede lid van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met 10.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, waarbij in het bijzonder wordt aangevoerd dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv op grond waarvan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 tot en met 26.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2024.