Strafrecht overig
Diefstal (art. 310) en diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1.5 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg…
ECLI:NL:HR:2024:1227 · Hoge Raad · 15 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-1227
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2024
- Datum publicatie
- 13 september 2024
- Zaaknummer
- 22/02014
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1227
Samenvatting
Diefstal (art. 310) en diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1.5 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewijsvoering, i.h.b. m.b.t. verschillen in kleding en in uiterlijk van enerzijds persoon die is waargenomen op beelden van pinautomaat en anderzijds de daarna door politie opgenomen beelden van verdachte (art. 359.2 Sv). HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer, dat het niet verdachte is die tlgd. feit heeft begaan, en hetgeen is aangevoerd omtrent kleding van persoon die is te zien op camerabeelden van pinautomaat, verworpen door te overwegen dat uit vergelijking van beelden naar voren komt dat pinner sterke overeenkomst vertoont met verdachte en dat deze gelijkenis later nogmaals is onderzocht en gedetailleerd is omschreven in aanvullend p-v van bevindingen. Hiermee heeft hof voldoende inzichtelijk gemaakt waarom het beschrijving door verbalisant van gelijkenissen betrouwbaar acht.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 23 mei 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:2634Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juli 2024
ECLI:NL:PHR:2024:576Hoge Raad · 15 oktober 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:1227
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02014
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2022, nummer 23-002873-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de bewijsbaarheid van het aan de verdachte tenlastegelegde feit, in het bijzonder over de verschillen in de kleding en in het uiterlijk van enerzijds de persoon die is waargenomen op de beelden van de pinautomaat en anderzijds de daarna door de politie opgenomen beelden van de verdachte.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal, waarbij de Hoge Raad acht heeft geslagen op de bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen in de ‘aanvulling verkort arrest’.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 143 uren beloopt, subsidiair 71 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.