Strafrecht overig

Medeplegen diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Heeft verdachte, die…

Hoge Raad, 22 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 oktober 2024
Datum publicatie
14 oktober 2024
Zaaknummer
22/03298
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1467
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Heeft verdachte, die op achterbank van auto tussen gestolen goederen zat, zodanige bijdrage geleverd dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten?

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit door hof vastgestelde f&o blijkt dat getuige alleen 2 mannelijke inzittenden van auto buiten auto heeft waargenomen, terwijl verdachte alleen zittend in auto is waargenomen. Verdachte heeft verklaard dat zij ‘wel op camera’s zal staan’; dat zou mogelijk aldus kunnen worden uitgelegd dat zij op enig moment auto heeft verlaten. Maar dat is niet enig mogelijke uitleg; verdachte kan ook hebben gemeend dat auto wel op ‘camera’s’, over locatie waarvan verdachte zich niet uitlaat, zichtbaar zal zijn geweest, en dat zij daar om die reden wel op zal staan. Hof heeft deze verklaring in bewijsoverweging niet (nader) geduid. In licht van f&o die uit verklaring van getuige blijken is geen sprake van situatie waarin m.b.t. toedracht van diefstal niet meer kan worden vastgesteld dan dat deze door ‘verenigde personen’ is begaan, maar niet direct door wie precies. F&o die uit verklaring van getuige blijken leveren tevens contra-indicatie m.b.t. medeplegen door verdachte op. Aan het zich niet distantiëren door verdachte komt geen grote betekenis toe; het gaat erom dat verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan delict. Oordeel hof dat verdachte medepleger is van diefstal is niet toereikend gemotiveerd.

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2022

    ECLI:NL:GHSHE:2022:3251
  2. Conclusie A-G · 15 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1076
  3. Hoge Raad · 22 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1467

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03298

Datum 22 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 september 2022, nummer 20-001827-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde feit ten aanzien van het handelen samen en in vereniging (hierna: het medeplegen) niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.