Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit soortgelijke feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr na veroordeling t.z.v. in- en…
ECLI:NL:HR:2024:191 · Hoge Raad · 13 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-191
Zaakgegevens
Op 13 februari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 februari 2024
- Datum publicatie
- 6 februari 2024
- Zaaknummer
- 21/03249
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:191
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit soortgelijke feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr na veroordeling t.z.v. in- en uitvoer van grote hoeveelheden Xtc-pillen. 1. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en op tz. in hoger beroep gehandhaafd getuigenverzoek op de grond dat niet aannemelijk is dat getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Kon hof bij vaststelling van w.v.v. gebruik maken van eerder afgelegde verklaringen van getuigen? 2. Blijkt uit ’s hofs uitspraak aan welke feiten en omstandigheden het hof voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan? 3. Redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Kon hof volstaan met vermindering van betalingsverplichting met € 20.000?
HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2010:BM0285 (strafzaak).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 21 juli 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:4484Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 december 2023
ECLI:NL:PHR:2023:1227Hoge Raad · 13 februari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:191
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03249 P
Datum 13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 juli 2021, nummer 23-005147-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de betrokkene en D.W.E. Sternfeld, advocaat te Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 2.960.102.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 2.955.102 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2024.