Strafrecht overig
Medeplegen witwassen geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Wist…
ECLI:NL:HR:2024:262 · Hoge Raad · 27 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-262
Zaakgegevens
Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 februari 2024
- Datum publicatie
- 21 februari 2024
- Zaaknummer
- 22/04163
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:262
Samenvatting
Medeplegen witwassen geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Wist verdachte dat geld van misdrijf afkomstig is? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Bewijsvoering hof houdt in dat bedrag van € 10.159,25, welk bedrag afkomstig is van oplichting, is gestort op rekening van A. Verder houdt die in dat verdachte op diezelfde dag een vrijwel gelijk bedrag heeft opgenomen van deze rekening, die niet op naam van verdachte staat. Dit bedrag heeft verdachte, wederom dezelfde dag, afgegeven aan ander en van dit feit heeft hij meteen mededeling gedaan aan weer een ander. Ten slotte heeft hof vastgesteld dat verdachte met ditzelfde geldbedrag heeft geposeerd op foto. Voor grootste deel van deze gang van zaken heeft verdachte geen verklaring gegeven. Slechts van geld op foto heeft hij gezegd dat dit nepgeld betrof. Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring, mede gelet op feit dat verklaring pas in hoger beroep is afgelegd, als ongeloofwaardig moet worden beoordeeld. Onder deze omstandigheden is ’s hofs oordeel dat verdachte wist dat geldbedrag geheel en onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, niet onbegrijpelijk.
Volgt verwerping. Samenhang met 22/04056 J.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 26 oktober 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:3782Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 januari 2024
ECLI:NL:PHR:2024:194Hoge Raad · 27 februari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:262
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04163
Datum 27 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2022, nummer 23-002803-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde medeplegen van witwassen.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.