Strafrecht overig

Doodslag door in 2020 in Eerbeek zijn vriendin te verwurgen, art. 287 Sr. HR: art. 80a RO, zonder…

Zaakgegevens

Op 26 maart 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2024
Datum publicatie
19 maart 2024
Zaaknummer
23/02788
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:454
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Doodslag door in 2020 in Eerbeek zijn vriendin te verwurgen, art. 287 Sr.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 14 september 2021

    ECLI:NL:RBGEL:2021:4870
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 13 juli 2023

    ECLI:NL:GHARL:2023:5898

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 26 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:454

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02788

Datum 26 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2023, nummer 21-004218-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.