Strafrecht overig

Poging tot doodslag op ex-vriendin door haar in portiek van haar flat met mes aan te vallen, art. 287 Sr…

Hoge Raad, 26 maart 2024

Zaakgegevens

Op 26 maart 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2024
Datum publicatie
21 maart 2024
Zaaknummer
22/00281
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:467
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag op ex-vriendin door haar in portiek van haar flat met mes aan te vallen, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Had hof tot vrijspraak strekkend verweer van raadsman moeten opvatten als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over onbetrouwbaarheid van verklaringen van aangever a.b.i. art. 359.2 Sv?

Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verklaringen van aangeefster vinden steun in andere bewijsmiddelen. Gelet op bewijsconstructie is geen sprake van schending van bewijsminimumvoorschrift van art. 342.2 Sv. Stelling dat bewijsminimumvoorschrift verlangt dat er een tweede b.m. moet zijn waaruit handelen van verdachte direct blijkt, gaat uit van eis die het recht niet stelt.

Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft betoog van raadsman kennelijk niet aangemerkt als uos a.b.i. art. 359.2 Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op inhoud van dit betoog. Bovendien is niet “met voldoende precisie” aangegeven waar het in ’s hofs motivering aan schort.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 25 januari 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:1401
  2. Conclusie A-G · 13 februari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:155
  3. Hoge Raad · 26 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:467

  4. Hoge Raad · 17 juni 2025

    ECLI:NL:HR:2025:904
  5. Hoge Raad · 16 juni 2026

    ECLI:NL:HR:2026:945

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00281

Datum 26 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 januari 2022, nummer 22-004665-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.C. Reisinger en M.N. Greeven, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouw M.N. Greeven heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.7.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

3.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.4.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 66 maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 65 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.