Strafrecht overig

Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op mobiele telefoon onder klager n.a.v. Europees…

Hoge Raad, 16 april 2024

Zaakgegevens

Op 16 april 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 april 2024
Datum publicatie
16 april 2024
Zaaknummer
23/03625
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:613
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 Sv op mobiele telefoon onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Belgische autoriteiten. Beroep op het door art. 1 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde recht op eigendom.

HR: art. 81.1 RO onder verwijzing naar HR:2024:604.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 februari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:187
  2. Hoge Raad · 16 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:613

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03625 Br

Datum 16 april 2024

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 29 augustus 2023, nummer RK 23/019210, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten– mede gelet op de gronden die zijn vermeld in de vandaag uitgesproken beschikking in de zaak 23/04275 Br, ECLI:NL:HR:2024:604 –niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet verder te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.