Strafrecht overig

Bedrieglijke bankbreuk, art. 341 (oud) en 344a.1 Sr. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep…

Hoge Raad, 25 juni 2024

Zaakgegevens

Op 25 juni 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 2024
Datum publicatie
20 juni 2024
Zaaknummer
22/01061
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:907
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bedrieglijke bankbreuk, art. 341 (oud) en 344a.1 Sr. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep door verdachte per e-mail gedaan en ttz. in h.b. door niet gemachtigde raadsman herhaald op de grond dat verdachte medische problemen (hartritmestoornissen) heeft, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging onder verwijzing naar ouderdom feiten, totale duur van procedure, eerdere aanhoudingen en omstandigheid dat raadsman geen indicatie kan geven wanneer verdachte wel in staat zou zijn om ttz. te verschijnen.

HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2018:1683.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 maart 2022

    ECLI:NL:GHSHE:2022:1060
  2. Conclusie A-G · 16 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:406
  3. Hoge Raad · 25 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:907

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01061

Datum 25 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 maart 2022, nummer 20-003389-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.