Strafrecht overig
Medeplegen diefstal met (bedreiging met) geweld in supermarkt, art. 312.1 en 312.2.2 Sr en medeplegen…
Hoge Raad, 9 juli 2024
ECLI:NL:HR:2024:998 · Hoge Raad · 9 juli 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-998
Zaakgegevens
Op 9 juli 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juli 2024
- Datum publicatie
- 28 juni 2024
- Zaaknummer
- 22/04915
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:998
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen diefstal met (bedreiging met) geweld in supermarkt, art. 312.1 en 312.2.2 Sr en medeplegen eenvoudig witwassen, art. 420bis.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. medeplegen diefstal met geweld. 1. Bewijsklachten medeplegen diefstal met geweld. 2. Kwalificatieklacht witwassen van uit eigen misdrijf afkomstig geldbedrag.
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Selectie en waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan feitenrechter. In cassatie kan niet worden onderzocht of vastgestelde f&o juist zijn. Hieruit getrokken conclusies kunnen slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. In ’s hofs vaststellingen o.b.v. historische telefoongegevens ligt voldoende gemotiveerde verwerping van geschetst scenario dat verdachte thuis was, besloten. Dat hof tot andere interpretatie van telefoongegevens komt, met name m.b.t. vraag waar mast (die na overval wordt aangestraald) is gelegen, is onderdeel van vrije bewijswaardering van feitenrechter. ’s Hofs conclusie dat verdachte zich kort na overval in nabijheid van medeverdachte bevond, is gelet op inhoud bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. V.zv. wordt geklaagd dat b.m. ontoelaatbare gissing betreft, geldt dat geen sprake van gissing is. V.zv. wordt geklaagd dat hof was gehouden ttz. ter sprake te brengen dat locatie, waarop van personeel supermarkt afgenomen telefoons zijn aangetroffen, ligt op route van supermarkt naar locatie zendmast, geldt dat sprake is van feit van algemene bekendheid dat o.g.v. art. 339.2 Sv geen bewijs behoeft en dus ook niet op zitting ter sprake hoeft te worden gebracht.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Middel berust op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Hof heeft verdachte niet veroordeeld voor witwassen a.b.i. art. 420bis lid 1 Sr maar voor eenvoudig witwassen a.b.i. art. 420bis.1 Sr. Hiervoor is niet vereist dat (in geval verdachte middelen verwerft of voorhanden heeft die uit eigen misdrijf afkomstig zijn) door verdachte handelingen zijn verricht daadwerkelijk gericht op verbergen en verhullen van criminele herkomst.
Volgt verwerping. Samenhang met 22/04809.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 20 december 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:3909Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 mei 2024
ECLI:NL:PHR:2024:477Hoge Raad · 9 juli 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:998
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04915
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002129-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 en 3.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het onder 3 bewezenverklaarde feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.
4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.