Strafrecht overig
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Dubbel verstek…
Hoge Raad, 8 juli 2025
ECLI:NL:HR:2025:1091 · Hoge Raad · 8 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1091
Zaakgegevens
Op 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2025
- Datum publicatie
- 3 juli 2025
- Zaaknummer
- 24/00773
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1091
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Dubbel verstek. Betekening oproeping nadere tz. in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 Sv. Had oproeping nadere tz. in h.b. moeten worden betekend op het namens verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in akte instellen h.b.? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Oproeping voor nadere tz. in h.b. is zbwovpl uitgereikt aan medewerker OM. Voorts is oproeping tevergeefs aangeboden op adres A (laatst opgegeven woon- of verblijfplaats) en nogmaals uitgereikt aan medewerker OM, met verzending van afschrift van oproeping naar adres A. In bestreden uitspraak ligt als ’s hofs oordeel besloten dat namens verdachte als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (adres A) met als datum van registratie 15-4-2019 diende te worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte en dat oproeping voor nadere tz. in h.b. rechtsgeldig is betekend. Dit oordeel van hof is zonder motivering onbegrijpelijk. Verdachte heeft bij het instellen van h.b. op 18-7-2022 immers adres B doen opnemen, terwijl uit stukken niet volgt dat dit adres t.t.v. betekening van oproeping was achterhaald of dat is geprobeerd oproeping uit te reiken aan dat adres, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Nu t.t.v. betekening niet-gedetineerde verdachte niet stond ingeschreven in BRP maar van hem gelet op adresopgave bij het instellen van h.b. wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was, had uitreiking van oproeping o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv op dat adres moeten plaatsvinden.
HR verklaart betekening oproeping nadere tz. in h.b. nietig.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 mei 2025
ECLI:NL:PHR:2025:790Hoge Raad · 8 juli 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1091
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00773
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 maart 2023, nummer 21-003001-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de oproeping voor de nadere terechtzitting van het hof op 2 maart 2023.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2023 geldig is betekend (uitgereikt).
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2023 nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.