Strafrecht overig

Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en voorhanden hebben van vuurwapen (art. 26.1 WWM) door in 2023 in…

Zaakgegevens

Op 2 september 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
25 augustus 2025
Zaaknummer
24/02633
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1206
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en voorhanden hebben van vuurwapen (art. 26.1 WWM) door in 2023 in Hoogeveen op korte afstand met vuurwapen op ander te schieten.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 juli 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:4457
  2. Hoge Raad · 2 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1206

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02633

Datum 2 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2024, nummer 21-003933-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten D. Bektesevic en A. Stronkhorst een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureurgeneraal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.