Strafrecht overig
Deelname aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. 1. Verzoek in Borgersbrief. Raadsman heeft (na het…
Hoge Raad, 26 augustus 2025
ECLI:NL:HR:2025:1207 · Hoge Raad · 26 augustus 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1207
Zaakgegevens
Op 26 augustus 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2025
- Datum publicatie
- 26 augustus 2025
- Zaaknummer
- 24/01571
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1207
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deelname aan terroristische organisatie, art. 140a.1 Sr. 1. Verzoek in Borgersbrief. Raadsman heeft (na het verstrijken van de in art. 437.2 Sv bedoelde termijn) verzoek gedaan tot aanhouding van zaak. 2. Kunnen klachten over ’s hofs afwijzing van verzoek tot horen van getuigen en bewezenverklaring worden aangemerkt als middelen a.b.i. wet? 3. Redelijke termijn (inzendtermijn) in cassatie.
Ad 1. Er bestaat geen grond voor toewijzing van verzoek.
Ad 2. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Alleen stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n middel worden aangemerkt. Als cassatiemiddelen I en II aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven.
Ad 3. Schriftuur klaagt verder enkel over redelijke termijn in cassatie.
Art. 80a RO, verdachte n-o.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 9 april 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:540Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 juni 2025
ECLI:NL:PHR:2025:667Hoge Raad · 26 augustus 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1207
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01571
Datum 26 augustus 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2024, nummer 22-002865-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. De raadsman heeft daarbij ook – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn – het verzoek gedaan tot aanhouding van de zaak. De Hoge Raad is van oordeel dat geen grond bestaat voor toewijzing van dat verzoek.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n cassatiemiddel worden aangemerkt. De als cassatiemiddelen I en II aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven. Nu de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2025.