Strafrecht overig
Gewoontewitwassen van geldbedrag van € 45.985,65 (art. 420ter.1 Sr jo. art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in…
ECLI:NL:HR:2025:134 · Hoge Raad · 28 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-134
Zaakgegevens
Op 28 januari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 januari 2025
- Datum publicatie
- 27 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/03379
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:134
Samenvatting
Gewoontewitwassen van geldbedrag van € 45.985,65 (art. 420ter.1 Sr jo. art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte over legale herkomst van geld niet concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is?
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft telkens met verwijzing naar bewijsmateriaal en onderzoek gemotiveerd waarom het van oordeel is dat verdachte wat betreft contante uitgaven geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat deze uitgaven niet van misdrijf afkomstig zijn. Inzake uitgaven van levensonderhoud heeft verdachte volgens hof geen concrete en verifieerbare aanknopingspunten aangereikt die inzicht konden geven in zijn bestedingspatroon en wijze waarop dat betaald werd, noch aannemelijk gemaakt dat zijn uitgaven voor levensonderhoud lager waren dan door verbalisanten gebezigde NIBUD-normen. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over herkomst van geldbedrag, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 12 september 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:3324Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 december 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1296Hoge Raad · 28 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:134
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03379
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2022, nummer 20-000294-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt op tegen het bewezenverklaarde gewoontewitwassen van geldbedragen tot een totaal van € 45.985,65.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.