Strafrecht overig

Medeplegen witwassen van geldbedragen (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklacht afkomstig uit enig misdrijf. Heeft…

Hoge Raad, 30 september 2025

Zaakgegevens

Op 30 september 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 september 2025
Datum publicatie
26 september 2025
Zaaknummer
22/04610
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1393
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen van geldbedragen (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklacht afkomstig uit enig misdrijf. Heeft verdachte concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven over herkomst van geldbedragen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04624, 22/04631, 22/04742 en 23/04964.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 8 december 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3886
  2. Conclusie A-G · 15 juli 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1033
  3. Hoge Raad · 30 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1393

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04610

Datum 30 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000194-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.