Strafrecht overig

Medeplegen invoer van bijna 19 kilo cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen…

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 oktober 2025
Datum publicatie
1 oktober 2025
Zaaknummer
23/02017
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1444
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen invoer van bijna 19 kilo cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. invoer van cocaïne (art. 10a.1.2 Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Gebruik voor bewijs van verklaringen van 2 medeverdachten en uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van deze verklaringen, art. 359.2 Sv.

HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft oog gehad voor gebreken aan zowel totstandkoming als inhoud van verklaringen van medeverdachten en heeft geoordeeld dat voor bewijs gebruikte verklaringen van deze medeverdachten voldoende betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Met deze uitgebreide overweging heeft hof ervan blijk gegeven dat het de verklaringen van medeverdachten “kritisch en met nodige behoedzaamheid” tegemoet is getreden. Dat hof vervolgens conclusies heeft getrokken o.b.v. deze verklaringen die verdachte belasten, is logisch gevolg van oordeel dat hun voor bewijs gebuikte verklaringen betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Hof heeft in zijn arrest uitgebreid gereageerd op onbetrouwbaarheidsverweer. Motiveringsplicht van art. 359.2 Sv gaat niet zo ver dat op ieder argument en detail van verweer van verdediging hoeft te worden ingegaan. Hof heeft er blijk van gegeven oog te hebben gehad voor mogelijkheid dat medeverdachten bewust leugenachtige verklaringen hebben afgelegd om verdachte te belasten.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 mei 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:2158
  2. Conclusie A-G · 9 september 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:971
  3. Hoge Raad · 7 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1444

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02017

Datum 7 oktober 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 mei 2023, nummer 20-003526-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.C. van der Want bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik door het hof van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten. Het klaagt verder dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van de door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

2.2

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 40 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.