Strafrecht overig
Mishandeling van echtgenote (meermalen gepleegd) door haar in eigen woning tegen/in lichaam en gezicht te…
Hoge Raad, 7 oktober 2025
ECLI:NL:HR:2025:1453 · Hoge Raad · 7 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1453
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2025
- Datum publicatie
- 2 oktober 2025
- Zaaknummer
- 23/01948
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1453
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mishandeling van echtgenote (meermalen gepleegd) door haar in eigen woning tegen/in lichaam en gezicht te slaan en te knijpen, art. 300.1 jo. 304.1.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten betrouwbaarheid van foto’s waarop letsel van aangeefster zichtbaar is en specifieke geweldshandelingen.
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs oordeel dat het geen aanleiding heeft te twijfelen aan (data van) foto’s, nu die data en op die foto’s zichtbaar letsel (in gezamenlijkheid bezien) in voldoende mate corresponderen met data van huisartsbezoeken en letsel dat huisarts bij die gelegenheden heeft geconstateerd, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat selectie en waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan hof. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering, nu verweer slechts als mogelijkheid presenteert dat aangeefster de data van foto’s kan hebben aangepast maar geen concrete aanwijzingen zijn aangedragen dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Bewezenverklaring is voldoende uit bewijsmiddelen af te leiden, zowel wat betreft mishandeling op 6-9-2020 als wat betreft mishandeling op 27-12-2021. Hof heeft uit verklaringen van aangeefster en gebleken letsel kunnen afleiden dat door verdachte toegepast geweld op 6-9-2020 bestond uit slaan en knijpen. Ook t.a.v. incident op 27-12-2021 heeft hof uit aangifte gecombineerd met geconstateerd letsel kunnen afleiden dat geweld bestond uit slaan en knijpen.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 16 mei 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1616Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 september 2025
ECLI:NL:PHR:2025:906Hoge Raad · 7 oktober 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1453
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01948
Datum 7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 mei 2023, nummer 20-001397-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en de geldboete van € 750 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025.