Strafrecht overig

Langdurig seksueel misbruik van 8-jarige/11-jarige (stief)kleindochter door (stief)opa, art. 244 (oud) jo…

Hoge Raad, 16 december 2025

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
10 november 2025
Zaaknummer
24/00916
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1678
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Langdurig seksueel misbruik van 8-jarige/11-jarige (stief)kleindochter door (stief)opa, art. 244 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr en art. 249.1 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Redengevendheid voor bewijs van getuigenverklaring. Is onderdeel van getuigenverklaring redengevend voor bewezenverklaring, nu hieruit volgt dat aangeefster in verleden ontkennend heeft geantwoord op vraag van getuige of zij weleens werd betast door verdachte? 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal?

HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat wijze waarop “disclosure” tot stand is gekomen steunbewijs vormt voor aangifte. Eerder vermoeden van getuige en aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover haar plaatst hof expliciet in deze context. Hoewel dergelijke ontkenning op zichzelf niet redengevend is voor bewezenverklaring, maakt aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover getuige i.h.k.v. de door hof voor bewijs gebruikte wijze van “disclosure” dat gehele voor bewijs gebruikte verklaring van getuige feiten en omstandigheden bevat die redengevend zijn voor bewezenverklaring van feiten. Ad 2. Verklaring van aangeefster vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking genomen dat verklaring van aangeefster ook op concrete en specifieke punten bevestiging vindt in andere b.m. Voor bewijs gebruikte verklaring van getuige ondersteunt verklaringen van aangeefster immers op onderdeel dat wezenlijke en specifieke omstandigheid van bewezenverklaarde gedragingen betreft, te weten ervaren pijn bij seksuele handelingen door lange en sterke nagels van verdachte. Van schending van art. 342.2 Sv is dan ook geen sprake. ’s Hofs oordeel getuigt daarmee niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 maart 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:760
  2. Conclusie A-G · 7 oktober 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1076
  3. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1678

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00916

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2024, nummer 20-002325-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.W. Heemskerk bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1

De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Het tweede cassatiemiddel klaagt in het bijzonder dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering die bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.

2.2

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.