Strafrecht overig

Medeplichtigheid aan medeplegen diefstal met geweld door vluchtauto te besturen, art. 312.2.2 Sr. Vrijspraak…

Hoge Raad, 4 februari 2025

Zaakgegevens

Op 4 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 februari 2025
Datum publicatie
31 januari 2025
Zaaknummer
23/00499
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:170
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplichtigheid aan medeplegen diefstal met geweld door vluchtauto te besturen, art. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten medeplichtigheid aan overval. Heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op gronddelict? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft overwogen dat het, gelet op uiterlijke verschijningsvorm van de door hof genoemde omstandigheden, van oordeel is dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op diefstal met geweld. Hof heeft aldus tot uitdrukking gebracht dat het gezien deze omstandigheden en gedragingen van verdachte niet anders kan dan dat hij bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat personen in zijn auto een diefstal met geweld zouden plegen. Onder omstandigheden van deze zaak impliceert voorwaardelijk opzet op diefstal van medeplichtige, ook diens opzet op daarbij te gebruiken geweld. Wanneer iemand voornemen heeft om op klaarlichte dag op straat goederen bij personen weg te nemen, ligt het namelijk zeer voor de hand dat daarbij ook geweld zal worden gebruikt, zoals hof met het noemen van algemene ervaringsregel (dat mensen hun geld in de voor deze zaak relevante context niet zonder dwang of geweld afgeven) duidelijk heeft willen maken.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 9 februari 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2960
  2. Conclusie A-G · 7 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:21
  3. Hoge Raad · 4 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:170

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00499

Datum 4 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 februari 2023, nummer 22-000344-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan een overval.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.