Strafrecht overig

Gevaar in verkeer veroorzaken door als bestuurder van auto met zeer hoge snelheid o.m. tegen verkeersrichting…

Hoge Raad, 9 december 2025

Zaakgegevens

Op 9 december 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 december 2025
Datum publicatie
4 december 2025
Zaaknummer
23/04791
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1850
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gevaar in verkeer veroorzaken door als bestuurder van auto met zeer hoge snelheid o.m. tegen verkeersrichting in te rijden, slingerende bewegingen te maken over meerdere rijstroken, zich te onttrekken aan staandehouding en stopteken te negeren (art. 5a.1 WVW 1994) en weigeren medewerking te verlenen aan ademonderzoek (art. 163.2 WVW 1994). Is ’s hofs beslissing in openbaar uitgesproken, nu uitspraak p-v ontbreekt? Art. 362.1 Sv.

Uit stukken blijkt niet dat ‘s hofs beslissing overeenkomstig art. 362.1 Sv in openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. HR zal doen wat hof had moeten doen en zelf ‘s hofs beslissing op openbare tz. uitspreken (vgl. HR:2009:BJ7799).

Volgt verwerping. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (gebrek in ondertekening van schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker hof).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 november 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:3988
  2. Conclusie A-G · 18 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1264
  3. Hoge Raad · 9 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1850

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04791

Datum 9 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 november 2023, nummer 20-000869-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.

2.2

Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van het hof overeenkomstig artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.

2.3

De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen en zelf de beslissing van het hof op de openbare terechtzitting uitspreken (vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.