Strafrecht overig

Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) van 1997 tot en met 1999, art. 225.1 Sr. Verjaring, daad van…

Hoge Raad, 16 december 2025

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
12 december 2025
Zaaknummer
23/04424
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1919
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) van 1997 tot en met 1999, art. 225.1 Sr. Verjaring, daad van vervolging (art. 70.1.3 Sr).

Aan verdachte is tlgd. valsheid in geschrift gepleegd in periode van 4-4-1997 tot en met 1-12-1999, meermalen gepleegd. Hof heeft bij arrest van 16-11-2007 tlgd. bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf. Dit feit is bij art. 225.1 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren is gesteld. Aanzegging a.b.i. art. 435.1 Sv is op 20-7-2024 aan verdachte betekend. Uit stukken blijkt niet dat gedurende 12 jaren daaraan voorafgaand daad van vervolging is verricht. In art. 70.1.3 Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat recht tot strafvordering is vervallen.

HR verklaart OM n-o in vervolging.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1237
  2. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1919

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04424

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2007, nummer 22-001245-07, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

2.2

Aan de verdachte is tenlastegelegd, kort gezegd, valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 4 maart 1997 tot en met 1 december 1999, meermalen gepleegd. Het hof heeft bij arrest van 16 november 2007 het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.

2.3

Het hiervoor genoemde feit is bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld.

2.4

De aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is op 20 juli 2024 aan de verdachte betekend (uitgereikt). Uit de stukken blijkt niet dat gedurende twaalf jaren daaraan voorafgaand een daad van vervolging is verricht. De in artikel 70 lid 1, aanhef en onder 3º, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus verstreken, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.

2.5

De Hoge Raad zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2002;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.