Strafrecht overig
Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd…
Hoge Raad, 11 februari 2025
ECLI:NL:HR:2025:197 · Hoge Raad · 11 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-197
Zaakgegevens
Op 11 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2025
- Datum publicatie
- 7 februari 2025
- Zaaknummer
- 22/03782
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:197
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen diefstal, art. 311.1.4 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof hoeft niet op ieder argument voor van uos apart in te gaan maar moet uitleggen waarom het naar voren gebrachte maar niet aanvaarde standpunt van verdediging (dat verdachte moet worden vrijgesproken) niet wordt gevolgd. Hof heeft uit zijn vaststellingen o.b.v. bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk afgeleid dat 2 personen die paadje in renden de daders van diefstal met geweld waren en dat mondmasker door een van daders van die diefstal in steegje is achtergelaten. Dat het verdachte is geweest die mondmasker heeft achtergelaten heeft hof vervolgens vastgesteld o.b.v. DNA-onderzoek. Hof heeft daarbij ook betrokken dat verdachte korte tijd voor diefstal in buurt van plaats delict was, hetgeen kan worden afgeleid uit meerdere voor bewijs gebruikte herkenningen.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 oktober 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:3618Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 januari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:73Hoge Raad · 11 februari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:197
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03782
Datum 11 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2022, nummer 20-002338-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder parketnummer 03-187935-21 tenlastegelegde feit.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 19 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.