Strafrecht overig

Woninginbraak, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. HR: Om redenen vermeld in CAG…

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
9 december 2024
Zaaknummer
23/01253
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:2
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Woninginbraak, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Deelklacht dat resultaten van DNA-onderzoek waarop bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd niet zijn voorgehouden aan verdachte, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deelklacht dat hof heeft nagelaten verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven, faalt eveneens, nu daarmee eis wordt gesteld die het recht niet kent.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 maart 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:949
  2. Conclusie A-G · 12 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1147
  3. Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:2

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01253

Datum 21 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 maart 2023, nummer 20-001444-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat in Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring.

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 27 juli 2021 tot en met 1 augustus 2021 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, een horloge dat aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen horloge onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.”

2.3

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof. Verder heeft het hof in zijn arrest een bewijsoverweging opgenomen.

2.4

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.