Strafrecht overig

Poging tot doodslag door in 2018 in Leidschendam n.a.v. ruzie in uitgaansgelegenheid op straat meermalen met…

Zaakgegevens

Op 7 januari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 januari 2025
Datum publicatie
19 december 2024
Zaaknummer
23/04386
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:20
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Poging tot doodslag door in 2018 in Leidschendam n.a.v. ruzie in uitgaansgelegenheid op straat meermalen met scherp voorwerp in bovenlichaam van ander te steken en tegen diens hoofd te schoppen, art. 287 Sr.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 31 oktober 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2070
  2. Hoge Raad · 7 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:20

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04386

Datum 7 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2023, nummer 22-000250-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Bouman, advocaat in Delft, een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2025.