Strafrecht overig
Poging tot vrijheidsberoving door zich voor te doen als nepagent, art. 282.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg…
ECLI:NL:HR:2025:206 · Hoge Raad · 11 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-206
Zaakgegevens
Op 11 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2025
- Datum publicatie
- 10 februari 2025
- Zaaknummer
- 23/00530
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:206
Samenvatting
Poging tot vrijheidsberoving door zich voor te doen als nepagent, art. 282.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht, alternatief scenario dat sporen van verdachte al eerder op (delict-gerelateerde) kledingstukken en plakbaard zijn terechtgekomen. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat mogelijkheid niet is uit te sluiten dat ander dan verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft, zonder grenzen van selectie- en waarderingsvrijheid te overschrijden, niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat door verdediging geschetst alternatief scenario, dat mede leunt op verklaring van getuige, als niet geloofwaardig terzijde kan worden geschoven. In zijn overweging dat getuige “kennelijk (…) bij vergissing” heeft verklaard dat (ook) nepagent een pet droeg, ligt besloten dat hof voor bewijs heeft gebruikt wat het uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde heeft gesteld wat het voor bewijs van geen waarde acht. Dat is geen denaturering van bewijsmiddel. Aan de hand van overig bewijs heeft hof voorts tot niet onbegrijpelijk oordeel kunnen komen dat het vermoedelijke tweede dader (over wie aangevers ook hebben verklaard) was die bij het wegrennen een baseballpet verloor. ’s Hofs oordeel dat beschikbaar bewijsmateriaal geen andere (bewijs)beslissing toelaat, is naar eis der wet met redenen omkleed.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 7 februari 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:319Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 januari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:90Hoge Raad · 11 februari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:206
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00530
Datum 11 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 februari 2023, nummer 22-000082-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M.M. Heilbron, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de mogelijkheid niet is uit te sluiten dat een ander dan de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.