Strafrecht overig

Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine in loods in Lomm en in garage in…

Zaakgegevens

Op 11 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2025
Datum publicatie
10 februari 2025
Zaaknummer
23/00922
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:208
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine in loods in Lomm en in garage in Roermond, art. 10a.1.3 jo. 10.4 Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten medeplegen en omstandigheid in bijzondere bewijsoverweging (aantal kilometers op huurcontract van bus). HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten van middel niet tot cassatie. CAG: Beide overwegingen over medeplegen (t.a.v. loods in Lomm en t.a.v. garage in Roermond) moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Zo gelezen wordt duidelijk dat sprake is van samenwerkingsverband bestaande uit verdachte, A en B, dat betrokken is bij zowel voorhanden hebben van precursoren in Roermond als in Lomm, in welk verband verdachte inderdaad organiserende rol vervult. Dit blijkt dan niet alleen uit zijn betrokkenheid bij transport richting Lomm (zoals is te lezen in telefoontaps) maar ook uit verzoek aan B om precursoren bij hem thuis (of in zijn garage) tijdelijk op te slaan omdat hij zelf een probleem had. Het klopt dat in gebruikte bewijsmiddelen niet b.m. is te vinden waaruit blijkt dat op huurcontract een met 317 overeenkomend aantal kilometers staat. Tot cassatie hoeft deze omissie niet te leiden, alleen al omdat ttz. niet is betwist dat betreffende tapgesprekken tussen verdachte en A betrekking hadden op aantal door B met bestelbus gereden kilometers. Essentie van verweer was juist dat er anderszins geen bewijs was waarmee verdachte te relateren zou zijn aan hetgeen in loods in Lomm is aangetroffen. Dat hof dienaangaande in bijzondere bewijsoverweging dus op extra bewijsgrond wijst, is zo bezien overbodig.

Volgt verwerping. Samenhang met 23/00848 en 23/00943.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 februari 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:824
  2. Conclusie A-G · 14 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:52
  3. Hoge Raad · 11 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:208

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00922

Datum 11 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 februari 2023, nummer 20-003279-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring met klachten die zijn gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring.

2.2

De klachten van het cassatiemiddel leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.