Strafrecht overig

Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk)…

Zaakgegevens

Op 25 maart 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 maart 2025
Datum publicatie
21 maart 2025
Zaaknummer
22/03879
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:443
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk). Kon hof oordelen dat taakstrafverbod van toepassing is? Art. 22b.2 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft in zijn strafmotivering overwogen dat het geen taakstraf kan opleggen vanwege taakstrafverbod in art. 22b Sr, omdat uit uittreksel van Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte op 16-4-2019 tot taakstraf is veroordeeld wegens verduistering. Veroordeling die door hof is aangehaald, valt niet binnen de in art. 22b.2.1 Sr genoemde periode van 5 jaren voorafgaand aan het begaan van bewezenverklaard feit, aangezien die veroordeling (en het voldoen van taakstraf) dateert van na het plegen van onderhavig feit (op 9-2-2019). ‘s Hofs oordeel getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens kan uit dat uittreksel niet blijken dat art. 22b Sr in de weg staat aan oplegging van taakstraf. Voorts heeft hof in zijn strafmotivering niets overwogen dat zijn afwijzing om taakstraf op te leggen zelfstandig kan dragen.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging met uitzondering van opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 5 oktober 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2970
  2. Conclusie A-G · 14 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:56
  3. Hoge Raad · 25 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:443

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03879

Datum 25 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2022, nummer 23-000721-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. Römelingh, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

3.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.6.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025.