Strafrecht overig

Eendaadse samenloop van mensenhandel (art. 273f.1.1 Sr), medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr) en medeplegen…

Hoge Raad, 25 maart 2025

Zaakgegevens

Op 25 maart 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 maart 2025
Datum publicatie
24 maart 2025
Zaaknummer
23/01302
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:452
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eendaadse samenloop van mensenhandel (art. 273f.1.1 Sr), medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr) en medeplegen seksueel binnendringen bij vrouw die in staat van verminderd bewustzijn verkeert (art. 243 (oud) Sr). Ontbrekend op schrift gesteld en ttz. in hoger beroep overgelegd stuk inhoudende verzoek tot horen van getuige. Op schrift gesteld verzoek dat in p-v van tz. in h.b. is vermeld, ontbreekt bij stukken die aan HR zijn gezonden. N.a.v. een door raadsvrouw o.g.v. art. 4.3.6.3 van Procesreglement HR gedaan verzoek is bij hof nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangekomen dat dit op schrift gestelde verzoek niet meer beschikbaar zal komen. Daardoor is niet duidelijk wat verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van verzoek tot (opnieuw) horen van getuige en of afwijzing van verzoek door hof toereikend is gemotiveerd.

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 23 maart 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:733
  2. Conclusie A-G · 28 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:106
  3. Hoge Raad · 25 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:452

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01302

Datum 25 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 maart 2023, nummer 23-002827-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de [benadeelde] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2023 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat een op schrift gesteld en op die terechtzitting overhandigd en voorgedragen verzoek tot het horen van [benadeelde] als getuige, zich niet bij de stukken bevindt.

2.2

Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:

“De raadsman van de verdachte overhandigt een op schrift gesteld verzoek en draagt dit voor, kort gezegd inhoudende het verzoek tot het horen van de getuige [benadeelde] .”

2.3

Het op schrift gestelde verzoek dat in het proces-verbaal van deze terechtzitting is vermeld, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een door de raadsvrouw op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gedaan verzoek is bij het hof nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat dit op schrift gestelde verzoek niet meer beschikbaar zal komen. Daardoor is niet duidelijk wat de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoek tot het (opnieuw) horen van de getuige en of de afwijzing van het verzoek door het hof toereikend is gemotiveerd. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025.