Strafrecht overig

Voortgezette handeling van poging tot uitlokking van moord (art. 289 jo. 46a Sr) en voorbereidingshandelingen…

Zaakgegevens

Op 1 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 april 2025
Datum publicatie
26 maart 2025
Zaaknummer
23/00502
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:458
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Voortgezette handeling van poging tot uitlokking van moord (art. 289 jo. 46a Sr) en voorbereidingshandelingen van uitlokking tot moord (art. 289 jo. 46.1 Sr) door in 2020 in ’s-Gravenhage n.a.v. echtscheiding via internet op zoek te gaan naar personen die tegen betaling zijn ex-vrouw om het leven kunnen brengen.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 2 februari 2023

    ECLI:NL:GHDHA:2023:279
  2. Hoge Raad · 1 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:458

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00502

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 februari 2023, nummer 22-000695-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.