Strafrecht overig

Economische zaak. Arbeidsongeval waarbij werknemer is omgekomen. Opzettelijke overtreding…

Zaakgegevens

Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
18 april 2025
Zaaknummer
22/04385
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:645
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Economische zaak. Arbeidsongeval waarbij werknemer is omgekomen. Opzettelijke overtreding Arbeidsomstandighedenwet (art. 32 Arbeidsomstandighedenwet) en dood door schuld (art. 307.1 Sr) begaan door rechtspersoon, door 2 werknemers met afgekeurde en versleten heftruck een muur te laten bouwen met betonblokken van 1.200 kilogram. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten overtreding Arbeidsomstandighedenwet, kleurloos opzet. Kon hof oordelen dat opzet alleen gericht hoeft te zijn op verweten gedraging (het nalaten van het treffen van maatregelen) en niet op wederrechtelijkheid daarvan en dat in het nalaten van het treffen van benodigde maatregelen door rechtspersoon het opzet op dat nalaten besloten ligt? 2. Bewijsklachten dood door schuld t.a.v. schuld. Kon hof oordelen dat vennootschap aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld en dat dood van werknemer (mede) aan haar schuld is te wijten? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie.

Volgt verwerping. Samenhang met 22/04359 E.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 9 november 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3717
  2. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:332
  3. Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:645

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04385 E

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 9 november 2022, nummer 23-000433-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1

De cassatiemiddelen komen op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

2.2

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 60.000.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 57.500 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.