Strafrecht overig

Als vreemdeling (Poolse nationaliteit) in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij tot ongewenst…

Hoge Raad, 13 mei 2025

Zaakgegevens

Op 13 mei 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2025
Datum publicatie
8 mei 2025
Zaaknummer
22/03572
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:717
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Als vreemdeling (Poolse nationaliteit) in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard (art. 197 Sr). Vrijspraak eerste aanleg. Bewijsklacht “o.g.v. wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard”. Vormde verdachte t.t.v. tenlastegelegd feit o.g.v. zijn persoonlijke gedragingen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor fundamenteel belang van samenleving a.b.i. art. 27 Richtlijn 2004/38/EG?

HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat verdachte vóór zijn ongewenstverklaring 13 winkeldiefstallen heeft gepleegd in tijdsbestek van 7 jaren. Verder heeft hof bij zijn oordeelsvorming betrokken dat verdachte na zijn ongewenstverklaring (op 3-7-2020) en na ommekomst van ISD-maatregel (op 27-4-2021) opnieuw winkeldiefstal heeft gepleegd (op 16-9-2021). Aldus heeft hof vastgesteld dat verdachte ook na zijn ongewenstverklaring hetzelfde soort strafbaar gedrag heeft vertoond als gedrag dat grondslag vormde voor opleggen van die ongewenstverklaring. Ook heeft hof vastgesteld dat dit gedrag voortvloeit uit verslaving, die deels wordt gekenschetst als “ernstige stoornis”, en uit problematiek op gebied van wonen, financiën en vaardigheden, waarvoor verdachte zich t.t.v. tlgd. niet wilde laten behandelen. Wat aard van bedreiging betreft, heeft hof uiteengezet welke ingrijpende gevolgen winkeldiefstal heeft voor slachtoffers en maatschappij. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat ongewenstverklaring ook t.t.v. tlgd. gedraging niet in strijd was met Unierecht, is daarom niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 19 september 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2723
  2. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:339
  3. Hoge Raad · 13 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:717

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03572

Datum 13 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 september 2022, nummer 23-002694-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.C. Stoop bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit – kort gezegd: het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven – op grond van zijn persoonlijke gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde in de zin van artikel 27 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU 2004, L 158).

2.2

De bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen zijn weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2022:2723.

2.3

Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.