Strafrecht overig
Medeplegen (poging tot) moord door in 2019 op parkeerterrein bij sportcentrum in Amstelveen meermalen met…
Hoge Raad, 13 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:722 · Hoge Raad · 13 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-722
Zaakgegevens
Op 13 mei 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 mei 2025
- Datum publicatie
- 8 mei 2025
- Zaaknummer
- 24/00620
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:722
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen (poging tot) moord door in 2019 op parkeerterrein bij sportcentrum in Amstelveen meermalen met vuurwapen op slachtoffer te schieten in bijzijn van zijn 5-jarige zoontje, art. 289 Sr jo. 45 Sr. Kon hof art. 63 Sr buiten toepassing laten na andere veroordeling van verdachte t.z.v. medeplegen moord, op de grond dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk was? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BX9407 en HR:2013:BZ9992 m.b.t. situatie waarin hof de verdachte veroordeelt voor feit waarop als zodanig (ter vrije keuze van rechter) levenslange of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren is gesteld en rechter tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden acht. HR betrekt dat daarbij niet van belang is of veroordeling voor de door andere rechter al beoordeelde feiten al dan niet onherroepelijk is (vgl. HR:1983:AC7985). Hof heeft vastgesteld dat verdachte in andere strafzaak voor medeplegen moord is veroordeeld tot gevangenisstraf van 20 jaren en dat die veroordeling niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft hof overwogen dat het “alles afwegende gevangenisstraf voor tijdelijke duur van 28 jaar (...) passend en geboden” acht. In het licht van deze overweging heeft hof geoordeeld dat het “geen toepassing [zal] geven aan art. 63 Sr”. Tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van onjuiste rechtsopvatting. HR merkt op dat thans wetsvoorstel “herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken” aanhangig is. Dit wetsvoorstel strekt o.m. ertoe dat toepassing van art. 63 Sr wordt beperkt tot geval waarin verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld (vgl. HR:2018:2248).
Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en verwijzing. Samenhang met 24/00522 en 24/00523 en met HR:2024:169.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 25 juli 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:4255Gerechtshof Amsterdam · 15 februari 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:314(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 maart 2025
ECLI:NL:PHR:2025:336Hoge Raad · 13 mei 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:722
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00620
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2024, nummer 23-002096-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.D. Rijnsburger bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat O.F. Qane een schriftuur ingediend. Die is echter pas bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen. De Hoge Raad zal daarom op deze schriftuur geen acht slaan.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot, indien aangewezen, verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) buiten toepassing heeft gelaten.
Het hof heeft de verdachte voor de op 12 december 2019 gepleegde feiten “medeplegen van moord” en “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaren. Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“8.3 Overwegingen van het hof
(...)
Kort samengevat komt de wettelijk regeling in beginsel erop neer dat:
a) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter reeds beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit. (Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.)
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2023 op naam van de verdachte volgt dat hij op 20 december 2022 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Gelderland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar wegens het medeplegen van moord. Dit vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2022:7407. Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze zaak nog aanhangig is bij het Hof Arnhem-Leeuwarden en dat nog niet op korte termijn een uitspraak valt te verwachten; blijkens mededeling van de verdediging bevindt de zaak zich in de regiefase.
Het hof overweegt dat de regeling van artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 Sr in beginsel tot de conclusie leidt – nu rekening gehouden moet worden met de niet-onherroepelijke veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf – dat in de voorliggende zaak maximaal een tijdelijke gevangenisstraf van 10 jaar kan worden opgelegd.
Zoals hierna zal worden overwogen acht het hof gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 10 jaar geen passende straf.
Het hof heeft nadrukkelijk de vraag onder ogen gezien, of de verdachte door het opleggen van een 10 jaar te boven gaande tijdelijke gevangenisstraf enig nadeel ondervindt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de mogelijkheid, indien en voor zover het komt tot een bewezenverklaring en de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf, om met toepassing van artikel 63 Sr recht te doen en daarbij rekening te houden met het onderhavige arrest. In het geval de verdachte door het Hof Arnhem-Leeuwarden wordt vrijgesproken, is er vanzelfsprekend evenmin een probleem met artikel 63 Sr. Het laatste kan ook worden geconcludeerd als het Hof Arnhem-Leeuwarden zou komen tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Alles overziend, heeft de verdachte in geen enkel opzicht nadeel van het nu niet toepassen van artikel 63 Sr en kan – in ieder geval in de toekomst – ten aanzien van de verdachte worden voldaan aan de rol en betekenis van de samenloopregeling zoals neergelegd in de artikelen 63 en 57 Sr. Dit is ook het geval als in het onderhavige arrest een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan 10 jaar wordt opgelegd.
Dat dit alles anders was geweest in het geval het vonnis van de Rechtbank Gelderland van 20 december 2022 onherroepelijk zou zijn geweest op het moment van het wijzen van het onderhavige arrest, is evident. In dat geval zou de samenloopregeling ertoe hebben genoopt om bij oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf deze te beperken tot maximaal 10 jaar.
De op te leggen straf
(...)
Zoals hiervoor overwogen zal het hof geen toepassing geven aan artikel 63 Sr.
(...)
Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
“1. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.
2. De duur van de tijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijfentwintig jaren.
3. Zij kan voor ten hoogste dertig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van de rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafverhoging ter zake van samenloop van misdrijven, terroristische misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijfentwintig jaren wordt overschreden.
4. Zij kan in geen geval de tijd van dertig jaren te boven gaan.”
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Dit geval wordt hierdoor gekenmerkt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor onder meer een feit – moord – waarop als zodanig (ter vrije keuze van de rechter) levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren is gesteld. Als de rechter in zo’n geval een tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden acht, dan moet hij:
a) nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle, dat wil zeggen ook de na de datum van het plegen van het door de rechter te beoordelen feit, door een andere rechter al beoordeelde feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl
b) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en
c) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
(Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407 en HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992.)
Daarbij is niet van belang of de veroordeling voor de door de andere rechter al beoordeelde feiten al dan niet onherroepelijk is (vgl. HR 17 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7985).
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in een andere strafzaak voor medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren en dat die veroordeling niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het “alles afwegende een gevangenisstraf voor de tijdelijke duur van 28 jaar (...) passend en geboden” acht. In het licht van deze overweging heeft het hof geoordeeld dat het “geen toepassing [zal] geven aan artikel 63 Sr”. Tegen de achtergrond van wat onder 2.4 is vooropgesteld, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het cassatiemiddel slaagt.
Opmerking verdient dat bij het parlement momenteel het wetsvoorstel “herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken” aanhangig is (vgl. Kamerstukken I 2017/18, 34126, A). Dit wetsvoorstel strekt er onder meer toe dat de toepassing van artikel 63 Sr wordt beperkt tot het geval waarin de verdachte “onherroepelijk” tot straf is veroordeeld. (Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2248.)
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.