Strafrecht overig
Medeplichtigheid aan 2 autodiefstallen, art. 310 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v…
Hoge Raad, 27 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:807 · Hoge Raad · 27 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-807
Zaakgegevens
Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 mei 2025
- Datum publicatie
- 22 mei 2025
- Zaaknummer
- 22/04745
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:807
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplichtigheid aan 2 autodiefstallen, art. 310 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. persoon op bijrijdersstoel, bezit van voorwerpen die geschikt zijn voor openen en wegnemen van auto’s en opzet. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft kennelijk o.b.v. de uit bewijsmiddelen voortvloeiende f&o de conclusie van feitelijke aard getrokken en kunnen trekken dat andere persoon in auto de medeverdachte is. ’s Hofs (mede) daarop gebaseerde oordeel dat verdachte de medeverdachte naar plaats van weg te nemen voertuig heeft gebracht, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat medeverdachte kort nadat auto van verdachte in beeld is geweest op camerabeelden verschijnt en dat verdachte en medeverdachte direct na elkaar vertrekken. Hof heeft in nadere bewijsoverweging overwogen dat het ervan uit gaat dat verdachte en medeverdachte ook t.t.v. bewezenverklaarde feiten over desbetreffende voorwerpen konden beschikken, omdat geen van beide verdachten een verklaring heeft afgelegd waarmee begin van aannemelijkheid zou kunnen worden gegeven aan gedachte dat zij t.t.v. bewezenverklaarde feiten nog niet over deze voorwerpen beschikten. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in b.m. besloten liggende f&o redengevend kunnen worden geacht voor bewijs dat verdachte medeplichtig is geweest aan 2 autodiefstallen en dat, gelet daarop, van verdachte mocht worden verlangd dat hij geloofwaardige, hem ontlastende verklaring gaf. Bij het uitblijven van dergelijke verklaring heeft hof uit deze vaststellingen kunnen afleiden dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij het plegen van deze autodiefstallen van auto’s als opzet op het wegnemen door medeverdachte van deze auto’s. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping. Samenhang met 22/04744.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 13 december 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:3627Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 april 2025
ECLI:NL:PHR:2025:416Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:807
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04745
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 december 2022, nummer 23-001961-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.L.A.M. Pluijmakers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 4 tenlastegelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.