Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op bitcoins, personenauto’s, geldbedragen en diverse goederen onder klager…
Hoge Raad, 17 juni 2025
ECLI:NL:HR:2025:834 · Hoge Raad · 17 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-834
Zaakgegevens
Op 17 juni 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 juni 2025
- Datum publicatie
- 2 juni 2025
- Zaaknummer
- 23/02474
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:834
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op bitcoins, personenauto’s, geldbedragen en diverse goederen onder klager t.z.v. verdenking van deelname aan criminele organisatie, oplichting en gewoontewitwassen, waarna strafrechter beslist tot verbeurdverklaring van deze voorwerpen en teruggave van aantal andere inbeslaggenomen voorwerpen. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Uit stukken van geding blijkt dat over alle conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen onherroepelijk is beslist in strafzaak tegen klager. Cassatieberoep van klager is daarom n-o. Door die onherroepelijke uitspraak in strafzaak tegen klager kan immers op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dat Rb in die uitspraak heeft overwogen dat “v.zv. op hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, dit hierop blijft rusten” en dat “beslissingen van Rb enkel betrekking hebben op strafvorderlijk beslag” maakt dat niet anders.
Klager n-o. CAG: anders t.a.v. inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan strafrechter teruggave heeft gelast.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 april 2025
ECLI:NL:PHR:2025:423Hoge Raad · 17 juni 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:834
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02474 B
Datum 17 juni 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2023, nummer RK 22/026775, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder de klager in beslag genomen voorwerpen waarvan de rechtbank in de strafzaak tegen de klager teruggave heeft gelast; terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan; niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep voor het overige.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2023 waarbij het beklag niet-ontvankelijk is verklaard.
Het klaagschrift – dat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 – houdt in dat allerlei voorwerpen van de klager conservatoir inbeslaggenomen zijn en dat het beslag bestaat uit onder meer “5,73357045 bitcoins, één of meer personenauto[’s], contante geldbedragen, diverse goederen”, waarvan de teruggave wordt verzocht.
In haar beschikking – waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.11 – heeft de rechtbank vastgesteld dat op de daarin genoemde voorwerpen, waaronder zich bevinden 5,73357045 bitcoins, twee personenauto’s, contante geldbedragen en diverse andere voorwerpen, conservatoir beslag was gelegd en dat deze voorwerpen bij onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2022 in de strafzaak tegen de klager zijn verbeurdverklaard.
Bij de stukken bevindt zich een afschrift van die uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2022, waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2. Naast de verbeurdverklaring van de hiervoor bedoelde voorwerpen, heeft de rechtbank daarin de teruggave gelast van een aantal andere inbeslaggenomen voorwerpen.
Het voorgaande brengt mee dat over alle conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen onherroepelijk is beslist in de strafzaak tegen de klager, zodat het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Door die onherroepelijke uitspraak in de strafzaak tegen de klager kan immers op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dat de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen dat ‘voor zover op de hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, dit hierop blijft rusten’ en dat ‘de beslissingen van de rechtbank enkel betrekking hebben op het strafvorderlijk beslag’ maakt dat niet anders.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2025.