Strafrecht overig
Zware mishandeling, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Heeft hof bewijsmiddelen…
ECLI:NL:HR:2025:887 · Hoge Raad · 10 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-887
Zaakgegevens
Op 10 juni 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juni 2025
- Datum publicatie
- 6 juni 2025
- Zaaknummer
- 23/03682
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:887
Samenvatting
Zware mishandeling, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Heeft hof bewijsmiddelen gebruikt die niet redengevend zijn voor bewezenverklaring? 2. Noodweer, art. 41.1 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Ad 1. Klacht, die in hoge mate karakter heeft van “napleiten” waarvoor in cassatie geen plaats is, berust op verkeerde lezing van ‘s hofs arrest. Bewijsoverwegingen komen immers in volgorderlijkheid naadloos overeen met daaraan ten grondslag liggende b.m. betreffende kernverwijt en worden daardoor aldus gedragen. Klacht mist daarmee feitelijke grondslag. Ad 2. Verwerping van stellingen van verdediging ligt besloten in ’s hofs overwegingen, terwijl eveneens duidelijk is waaraan hof de f&o die ten grondslag liggen aan verwerping van beroep op noodweer heeft ontleend. Niet-aannemelijk geachte verklaring van verdachte komt erop neer dat aangever “ging slaan met stoel” en hij zich slechts afweerde, terwijl uit verklaring van aangever volgt dat hij in reactie op aanwezigheid van de met koevoet bewapende verdachte in zijn voortuin met tuinstoel “op hem afliep”, waarna verdachte de aangever heeft geslagen. Het bezigen van verklaring van aangever en het aannemelijk achten van die door hem verklaarde feitelijke toedracht, is daarmee niet tegenstrijdig met het niet-aannemelijk achten van verklaring van verdachte. Het op iemand aflopen met tuinstoel levert immers nog geen (dreigende) noodweersituatie op, te meer niet indien die gedraging volgt op het bewapend met koevoet betreden van erf van aangever door ander. Gelet hierop is verwerping door hof van beroep op noodweer niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 september 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:7738Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 mei 2025
ECLI:NL:PHR:2025:566Hoge Raad · 10 juni 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:887
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03682
Datum 10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2023, nummer 21-005620-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat K. Aantjes een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik door het hof van bewijsmiddelen die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring en over de verwerping van het door de verdediging gedane beroep op noodweer.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.