Strafrecht overig
Diefstal (meermalen gepleegd) van spijkerbroek, flessen parfum en bril, art. 310 Sr. Vrijspraak in eerste…
Hoge Raad, 21 januari 2025
ECLI:NL:HR:2025:94 · Hoge Raad · 21 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-94
Zaakgegevens
Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 januari 2025
- Datum publicatie
- 17 januari 2025
- Zaaknummer
- 22/02939
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:94
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Diefstal (meermalen gepleegd) van spijkerbroek, flessen parfum en bril, art. 310 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Verweer t.a.v. betrouwbaarheid van herkenningen van verdachte op camerabeelden door verbalisanten. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft herkenningen van verdachte door verbalisanten op camerabeelden telkens betrouwbaar geacht en voor bewijs gebruikt. Uit ‘s hofs bewijsvoering blijkt dat camerabeelden scherp en van goede kwaliteit zijn, dat het om bewegende beelden gaat en dat pleger van diefstallen op die beelden steeds duidelijk zichtbaar in beeld komt. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat het steeds om dezelfde dader lijkt te gaan en dat persoon die op beelden te zien is, duidelijke gelijkenissen vertoont met zich in dossier bevindende foto van verdachte op diens ID-staat. Gelet hierop heeft hof het verweer van verdediging op goede gronden verworpen en is bewezenverklaring naar eis der wet voldoende met redenen omkleed.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 juli 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:3160Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 december 2024
ECLI:NL:PHR:2024:1298Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:94
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02939
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022, nummer 20-003929-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Ben Tarraf, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten onbetrouwbaar zijn.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.