Strafrecht overig

Voorhanden hebben van 2 stroomstootwapens, art. 26.1 WWM. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon…

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
24/01862
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1221
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Voorhanden hebben van 2 stroomstootwapens, art. 26.1 WWM. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon hof vaststellen dat verdachte de gebruiker van telefoonnummer was en dat hij 2 stroomstootwapens voorhanden heeft gehad?

HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Dat hof o.b.v. feiten en omstandigheden, die uit bewijsmiddelen blijken, heeft vastgesteld dat verdachte de gebruiker van telefoonnummer was en dat hij stroomstootwapen voorhanden heeft gehad, is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping. Samenhang met 24/02809.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 25 april 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:2173
  2. Conclusie A-G · 23 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:616
  3. Hoge Raad · 14 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1221

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01862

Datum 14 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 april 2024, nummer 23-003093-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.A. van der Waal bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

2.2

De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

2.3

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 1.100, subsidiair 21 dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 1.045, subsidiair 20 dagen hechtenis bedragen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.