Strafrecht overig
Witwassen van geldbedrag (€ 12.950), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht “afkomstig…
Hoge Raad, 1 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1406 · Hoge Raad · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1406
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 31 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/02165
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1406
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Witwassen van geldbedrag (€ 12.950), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte over herkomst van geldbedrag op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is?
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs mede op zijn vaststellingen in nadere bewijsoverwegingen gebaseerde oordeel dat door verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring hoogst onwaarschijnlijk is, is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte deze verklaring net als in eerste aanleg heeft onderbouwd met schriftelijke en ondertekende verklaring van ander en dat hij zijn neef ttz. in h.b. als getuige heeft meegebracht, waar deze een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, maakt dat niet anders. Opvatting dat door HR aan verklaring van verdachte gestelde eisen als communicerende vaten fungeren (in die zin dat hoe concreter en verifieerbaarder die verklaring is, hoe minder snel deze als “op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” kan worden aangemerkt) vindt geen steun in recht. Bovendien heeft hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het geen geloof hecht aan verklaringen van ander en van neef van verdachte.
Volgt verwerping.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juli 2026
ECLI:NL:PHR:2026:691Hoge Raad · 1 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1406
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02165
Datum 1 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2024, nummer 23-001705-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 en 2.3. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.6.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2026.