Strafrecht overig

Strafrechtelijk onderzoek Tandem IV. Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen, art. 420ter.1 jo…

Hoge Raad, 22 september 2026

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
24/00272
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1478
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Strafrechtelijk onderzoek Tandem IV. Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen, art. 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf?

HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat er weliswaar geen rechtstreeks verband valt te leggen met bepaald misdrijf maar dat het o.g.v. de door OM aangedragen f&o niet anders kan zijn dan dat tlgd. geldbedragen, die naar aanleiding van diverse valse facturen door vennootschappen van verdachte zijn betaald, uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat facturen slechts zijn opgesteld om dat te verhullen. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Volgt verwerping. Samenhang met 24/00337 en 24/00454.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 25 januari 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:189
  2. Conclusie A-G · 23 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:620
  3. Hoge Raad · 22 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1478

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00272

Datum 22 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2024, nummer 23-002808-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten S.A.H. Vromen en J.S. Nan bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 3.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.28.

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.